VolleybalVoorkeuren

Walking from the Bottom versus Walking from the Top

De Motorische Voorkeur voor Walking from the Bottom (WB) versus Walking from the Top (WT) heeft invloed op de voorkeur voor:

WB versus WT in relatie met de Slagactie (duimslag versus pinkslag).

De verschillen WB en WT in de slagactie zijn zichtbaar in de Voorbereidingsfase en Eindfase van de slagactie.

 

Ze komen voort uit de voorkeur voor endorotatie (WB) of exorotatie (WT) van de onderarm.

 

De endorotatie van de onderarm wordt ingezet door de Voorste Spierketen. De voorkeur voor het inzetten van de Voorste Spierketen is kenmerkend voor Walking from the Bottom. 

 

De exorotatie van de onderarm wordt ingezet door de Achterste Spierketen, wat kenmerkend is voor Walking from the Top.

De voorbereiding van de slagactie start aan het eind van de opzwaai van de armen. Na de opzwaai wordt de elleboog van de slagarm naar achteren gebracht. In deze actie vindt een rotatie van de onderarm plaats.

Hier zien we verschillen tussen WB en WT ontstaan. Bij de WT-aanvaller zijn aan het eind van de armopzwaai de pinken laag en de duimen hoog. De handpalmen wijzen naar elkaar.

Een WT-aanvaller zet dus zijn slagactie in door te beginnen met de pink laag en duim hoog (handpalm wijst naar binnen). Tijdens het naar achter brengen van de elleboog roteert de onderarm (endorotatie). Als gevolg daarvan wijst de duim naar beneden, de pink omhoog en de handpalm naar buiten.

De onderarm bereidt de slagactie voor door zich als het ware als een veer op te winden.

Na de inzet vanuit schouder wordt deze veer losgelaten en exoroteert de onderarm richting balcontact. De bal wordt met de volledige hand geraakt. In de follow-through eindigt als gevolg van de exorotatie de hand met de pink naar beneden. En daarin herkennen we een “PINKSLAG”. De volgorde van de onderarmrotatie van de slagactie bij een WT-aanvaller is dus PINK laag – DUIM laag – PINK laag.

Afbeelding: Follow-through van de slagactie van een WT-speler, de Pinkslag (Titiana Boskovic)

Bij de WB-aanvaller is de slagactie andersom. Aan het eind van de armopzwaai zijn de duimen laag, de pinken hoog en wijzen de handpalmen naar buiten.

De slagactie wordt ingezet met de duim laag, waarna meestal met een vlakke hand de elleboog naar achteren wordt gebracht, een kleine exorotatie van de onderarm. Voor veel WB-aanvallers zit hier nog ruimte voor ontwikkeling door de exorotatie nog iets verder op te schroeven (pink laag). Na de schouderinzet vanuit schouder volgt een endorotatie van de onderarm.

In de follow-through eindigt de hand met de duim naar beneden. Dit noemen we een “DUIMSLAG”.

De volgorde van de onderarmrotatie van de slagactie bij een WB-aanvaller is dus DUIM laag – VLAK/PINK laag – DUIM laag.

Afbeelding: Follow-through van de slagactie van een WB-speler, de Duimslag (Bartosz Kurek en Lonneke Sloetjes)

Visuele Voorkeuren

De Visuele voorkeuren hebben onder andere invloed op de:

  • Servicepass
  • Aanval looppatroon

Mensen verschillen in de wijze waarop ze visuele informatie het snelst registreren en verwerken. Het ene individu blijkt gevaar, richting en snelheid eerder en nauwkeuriger op te merken met het linkeroog en een ander met het rechteroog. Een voorkeur voor één van beide ogen vinden we binnen het horizontaal perifeer vlak.

Registreren we voorwerpen eerder die van links komen, dan spreken we van een Linker Motoroog (LMO) en van rechts een Rechter Motoroog (RMO).

Aangezien snelheid en druk een grote rol spelen bij het volleyballen is het belangrijk om het Motoroog goed in te zetten.

Motoroog en de Servicepass

De voorkeur voor een Rechter Motoroog (RMO) of een Linker Motoroog (LMO) heeft grote invloed de servicepass.

RMO-passers hebben een sterke voorkeur voor het passen van de bal aan de rechterkant van hun lichaam en LMO-passers hebben dat voor de linkerkant. Logisch, want een passer probeert de inkomende bal en het doel in zijn perifeer en centraal zicht te houden. Hij passt derhalve de bal het liefst aan die kant van zijn lichaam, waardoor dit mogelijk wordt.

Uiteraard lukt dit niet altijd, dus een passer zal ook zijn niet-voorkeurskant (ontwikkelkant) dienen te verbeteren.

 

Passvlakken

In combinatie met WB (S-type) en WT (N-type) ontstaan er 4 speelvlakken zijn. Links-hoog (NP), links-laag (SP), rechts-hoog (NJ) en rechts-laag (SJ).

 

Positionering

Spelers met een NP-voorkeur spelen dus het liefst de bal hoog aan de linkerkant van het lichaam (++ vlak). Zij creëren deze positie door met de bal mee te verplaatsen (de startpositie is hoog in het veld rond de 4-5 meter lijn) en door ruimte te laten aan de linkerkant. De vlakken NJ en SP zijn minder favoriet (+ vlak), maar niet problematisch omdat er één voorkeur aanwezig is. Het SJ-vlak levert daarentegen motorische problemen op (– vlak). Dus het vlak dat diagonaal ten opzichte van het favoriete vlak staat is het meest problematisch. Daar ontstaan deze meeste passfouten.

De grootste verschillen zijn te zien in de positionering van het hoofd. Als een Rechter Motoroog-passer (Wilfredo Leon) de bal aan zijn linkerkant moet spelen, dan richt hij zijn neus naar de bal op zijn armen, ‘hij ziet de bal op zijn armen’. Op de foto hieronder zien we Branicka Michailova als Rechter Motoroog-passer. Zij richt alleen de ogen op de bal om de bal aan de rechterkant te spelen. Het rechteroog leidt de actie.

Bij Earvin ‘NGapeth zien we het omgekeerde, bij de hoge bal aan zijn rechterzijde (NJ-vlak) dient hij zijn linkeroog op de bal te richten. Links laag is zijn favoriete vlak (++), deze vraagt veel minder energie. Hij kijkt min of meer over de bal naar het target. 

Afbeelding: Rechter Motoroog-passer (Wilfredo Leon) versus Linker Motoroog-passer (Earvin ‘NGapeth) met servicepass links van het lichaam

Afbeelding: Rechter Motoroog-passer (Branicka Michailova) versus Linker Motoroog-passer (Earvin ‘NGapeth) met servicepass rechts van het lichaam